Gebruik deze check op één concreet performanceprobleem. Niet om een score te maken, wel om te voorkomen dat een symptoom meteen een oorzaak wordt — en een favoriete oplossing meteen de interventie.
Welke performance valt vandaag tegen, bij wie of waar zie je dat, en wat observeer je werkelijk?
Een probleemomschrijving is nog geen oorzaakanalyse. Behandel verklaringen voorlopig als hypothesen.
Zolang onduidelijk is wat iemand of een proces moet opleveren, is het moeilijk om gericht te onderzoeken waarom dat niet gebeurt. Zie ook Gedrag ≠ wat het werk oplevert ≠ bedrijfsresultaat.
Een bruikbare volgende vraag is niet meteen “welke training of coaching hebben we nodig?”, maar: welke conditie in of rond het werk maakt de gewenste performance mogelijk of belemmert haar?
De 2 × 3 helpt zulke condities systematisch onderzoeken. Kijk eerst naar de omgeving — clarity/verwachtingen en feedback, tools & resources, consequences & incentives — en vervolgens waar nodig naar de persoon — skills & knowledge, capacity/assignment en motives/preferences.
Gebruik die vakken als diagnoseruimtes, niet als zes vinkjes en niet als zes vooraf vastgelegde interventies.
Completer kijken betekent niet eindeloos analyseren. Het betekent voldoende breed kijken om een gerichtere volgende stap te kiezen.
Training, coaching, tooling, incentives, procesaanpassing, helderdere verwachtingen of een andere ingreep zijn mogelijke interventies. Geen daarvan volgt automatisch uit het label dat je op het probleem plakt.
Formuleer daarom: welke conditie willen we veranderen, waarom denken we dat deze interventie daarop werkt, en waaraan zullen we zien of de gewenste performance werkelijk verbetert?
Na de interventie blijft de diagnose een hypothese. Kijk naar wat werkelijk verandert, wat niet verandert en welke aanname je eventueel moet bijstellen.
Voor de denklogica achter deze check: Denken (Systems Thinking).